Verhaaldans

Het jongetje en het meisje waren buurkinderen van elkaar. Maar omdat de boerderijen in Lapland waar ze ieder met hun ouders en broertjes en zusjes woonden kilometers van elkaar af lagen mochten ze vaker meerdere dagen bij elkaar blijven logeren. Ze waren onafscheidelijk en voor de mensen die hen niet kenden leken ze daarom wel broer en zus. Als ze ‘s avonds samen naar de sterrenhemel keken vertelde het jongetje zijn verhalen aan het meisje. En op de klank van zijn verhalen danste het meisje in het sterrenlicht op haar beurt voor het jongetje. In deze symbiose van verhaal en dans hadden ze elkaar gevonden. Maar omdat een verhaal zichzelf steeds opnieuw moet uitvinden besloten ze de hun bekende wereld achter zich te laten en op avontuur te gaan. Ze vertelden niemand iets van hun geheime plannen. Al heel vroeg, nog voor de haan kraaide en iedereen nog sliep, vertrokken ze. Na enkele kilometers over bekende en veilige paden te hebben gelopen besloten ze deze te verlaten. Toen ze het pad verlaten hadden en de kale door mos begroeide heuvels de hun bekende wereld aan het oog had onttrokken gebeurde dat waar ze naar op zoek waren: ze waren verdwaald.

Ze keken elkaar lachend aan omdat ze klaar waren voor het onbekende, het avontuur kon beginnen. Verwachtingsvol gingen ze verder op pad de nu onbekende wereld in. Ze liepen de hele dag maar er gebeurde helemaal niets. Een avontuur begint namelijk niet als jij het wil, een avontuur is pas een avontuur als het onverwacht en ongepland gebeurt. Iedere kilometer die ze door het onbekende liepen en waarin niets gebeurde vergrootte hun teleurstelling. Toen het begon te schemeren zochten ze een plek om te slapen. Dat was niet moeilijk te vinden omdat in het voorjaar de toendra begroeid is met zacht purperkleurig mos. Toen ze hun slaapplaats hadden klaargemaakt viel de duisternis en verschenen de sterren. Of het de vermoeidheid was of de teleurstelling of allebei maar het jongetje wist deze keer geen verhaal te verzinnen. Geen verhaal, geen dans.

Net toen ze hadden besloten te gaan slapen zag het meisje in de verte een groot vuur. Het avontuur had dan toch, en zoals dat hoort onverwacht, besloten te beginnen. Het jongetje en het meisje hoefden niet met elkaar te overleggen. Beiden wisten onuitgesproken meteen wat ze wilden. Met kloppend hart slopen ze voorzichtig richting het vuur. Reeds van ver zagen ze drie vreemde figuren rond het kampvuur dansen. Toen ze dichterbij waren gekomen zagen ze dat het drie trollen waren. Het jongetje en het meisje hadden zich goed verstopt onder een lage struik en de trollen konden hen niet zien. Maar omdat het meisje op zoek was naar avontuur en niet wist hoe gevaarlijk trollen kunnen zijn stapte ze plotseling in de ring van vuur. Het jongetje verstijfd van angst achterlatend.

De drie trollen deinsden eerst verbaasd achteruit maar bogen zich al snel gedrieën over haar heen. Het jongetje keek van onder de struik angstig naar het tafereel dat zich voor zijn ogen afspeelde. “Hallo” zei het meisje “Ik zag jullie vuur en kom even hallo zeggen. Wie zijn jullie?”. “Weet je dan niet dan wij trollen zijn?” zei de grootste van de drie “en dat wij graag angstige kleine meisjes opeten?” Het jongetje verlamde van angst. Had hij dat goed gehoord, gingen de trollen zijn vriendinnetje opeten? “Maar voordat jullie me dan gaan opeten wil ik wel graag weten hoe jullie heten. Want niemand wil opgegeten worden door iemand die je niet kent” zei het meisje onverschrokken. De drie trollen waren nu van hun stuk gebracht. Iedereen was altijd doodsbang voor hen en dat veroorzaakte nu net hun eetlust. Maar dit meisje was blijkbaar niet bang. Daar moesten ze dus snel wat aan doen. “Wij zijn trollen en wij bezitten dingen. Als we de mensen zeggen wat wij bezitten dan willen ze het ook hebben, ze kunnen niet anders. Als we het dan niet geven worden de mensen bang. En natuurlijk geven we het niet” lachte de grootste trol gemeen “want als de mensen bang zijn zijn ze het lekkers en dan kunnen we ze opeten”.

“Laat mij eerst, laat mij eerst” riep de kleinste trol ongeduldig en hij schraapte plechtig zijn stem “Ik ben de trol die ze Status noemen. De mensen willen allemaal hebben wat ik bezit. Als ze geen status hebben voelen de mensen zich namelijk betekenisloos. En als ze zich betekenisloos voelen worden ze bang. En als ze bang zijn zijn ze lekker”. “Oh, maar daar hoef je niet bang voor te zijn lieve Status” zei het meisje “ik heb dat helemaal niet nodig. Ik heb namelijk mijn vriendje die me verhalen vertelt waarop ik kan dansen. En status heb ik daarvoor echt niet nodig”. Het jongetje werd nu nog banger. Had ze nu verklapt dat hij er ook was, zouden de trollen nu naar hem gaan zoeken? Maar dat gebeurde niet.

De eerste trol droop teleurgesteld af maar trol nummer twee nam meteen zijn plaats in. “Aha” zei trol twee “dus jij danst graag hoor ik. Dan wil je zeker ook goed kunnen dansen voor je vriendje. De mensen moeten zich hiervoor overschatten. Daarom is mijn naam Ego. De mensen hebben behoefte aan een groot ego. Als ze dat niet hebben voelen ze zich betekenisloos. En als ze zich betekenisloos voelen worden ze bang. En als ze bang zijn zijn ze lekker”. “Oh, maar daar hoef je ook niet bang voor te zijn lieve Ego” zei het meisje “Mijn vriendje vindt al dat ik goed kan dansen en zelf heb ik ego dus helemaal niet nodig”. Teleurgesteld droop ook trol nummer twee af. Het meisje was niet bang te krijgen.

Trol nummer drie had al die tijd stil zitten luisteren en hij keek nu slinks om zich heen. Hij was duidelijk op zoek naar iets. Het jongetje zag hem zoeken en dook angstig nog verder weg onder de struik. “Hallo trol drie” zei het meisje “en hoe mag jij dan wel heten?”. “Ik word Amor genoemd” zei trol nummer drie zacht. “Iedereen heeft amor nodig. Zonder amor zijn de mensen niets. Amor kan zelfs de sterkste mensen breken en dus ook jou. Zonder amor heb jij immers geen vriendje. En zonder vriendje kan ook jij niet zonder status en zonder ego. Zonder amor ben je dus betekenisloos. En zonder betekenis ben je bang. En als je bang bent ben je lekker”.

Een koude siddering raakte het meisje tot in het diepst van haar hart. Haar hart dat nu niet meer kon denken. Zonder haar vriendje voelde ze zich inderdaad betekenisloos en de angst sloeg onbarmhartig bij haar toe. De drie trollen konden het ruiken en het water liep hen al in de mond. Gedrieën bogen ze zich over haar heen en hun schaduwen onttrokken haar aan het zicht van het jongetje. Ze leek al opgegaan in het niets. Het jongetje wist dat hij zijn angst onmogelijk zou kunnen verbergen en dat hij, wanneer hij zich zou tonen, door de trollen onherroepelijk samen met het meisje zou worden verorberd. Maar hij kon niet anders. Vol angst kroop het jongetje onder de struik vandaan en toonde zichzelf aan de drie trollen.

“Ik hou van je” riep hij met bevend luide stem terwijl hij recht op de trollen toeliep. Zijn lijf en hoofd gevangen in angst met enkel een hart vol amor. “Voor altijd. Zelfs als we er beiden niet meer zullen zijn. Ik zal je nooit opgeven en dus ga ik met je mee. Waarheen je ook gaat”. De trollen keken verbaasd naar hem om. Allen roken ze de angst. Maar het water liep hen niet in de mond. Daarentegen proefden ze een bittere smaak. Deze angst liet hen niet watertanden want deze angst was niet de bekende angst. Dit was een heel andere angst. Een angst die het jongetje niet kracht ontnam maar juist gaf. Een kracht die de trollen deed kokhalzen.

Misselijk geworden vluchtten de trollen de duisternis in de jongen en het meisje alleen achter latend. Bij het langzaam dovende kampvuur vertelde het jongetje haar zijn nu woordloze verhalen en op deze onhoorbare klanken danste het meisje voor hem haar dans. De sterrenhemel kleurde plots groen door het exploderende noorderlicht. Morgen zouden ze ieder terugkeren naar hun eigen boerderij maar deze nacht was nog jong. Jong genoeg voor vele verhalen, jong genoeg om samen het volgende avontuur te beleven.