Het Interview

Beste lezers en lezeressen,

Voor dit Themanummer Dromen ben ik zeer verheugd de heer J. Zus te hebben mogen interviewen. Ik heb zeer lang moeten aandringen en enkel door onze goede contacten  met Dhr. Gabriël is het uiteindelijk gelukt. Het is dan ook gepast op deze plaats een woord van dank uit te spreken aan Dhr. Gabriël.

Ik moet zeggen dat ik enigszins nerveus was voor het interview ondanks dat ik alle vragen goed had voorbereid. Maar dat is wellicht ook niet zo vreemd gezien de statuur van Dhr. J.Zus. Hij is immers almachtig. Het begint er al mee hoe Dhr. J. Zus aan te spreken: wat is zijn titel eigenlijk?  Hij is immers niet van adel, is geen ambtenaar, militair of academicus. Is hij nu meer vorst of toch iets kerkelijks? Ik moest dus kiezen voor “majesteit” of “heilige vader”. Maar deze titels deden hem volgens mij nog steeds te kort. Ik besloot dan ook tot “ouweheer”. Een titel die de lading volgens mij volledig dekt.

Ik moet zeggen dat het gesprek mijn stoutste verwachtingen heeft overtroffen en natuurlijk ook de nodige onverwachte wendingen heeft gekregen. De wegen van de ouweheer zijn immers ondoorgrondelijk.

Mijn eerste vraag was natuurlijk de gemakkelijkste: “Ouweheer, droomt u weleens?”. Ouweheer kwam gelukkig meteen los alsof hij de vraag al had verwacht; maar dat had ik natuurlijk al verwacht.

“Maar natuurlijk mijn zoon. Mag ik je trouwens mijn zoon noemen? Want je bent niet echt mijn zoon ondanks dat ik je heb geschapen, maar ik meen me dat te mogen permitteren want jij noemt mij immers ook ouweheer”. “Maar zeker”, zei ik, opgelucht dat we elkaar meteen zo goed begrepen.

“Welnu mijn zoon”, begon ouweheer, “ik droom altijd. Ik kan niet anders. Net zoals jij ben ik immers alleen maar de resultante van gedachten”. Daar had ouweheer me meteen te grazen. Ouweheer alleen maar het resultaat van een gedachte? Ongelofelijk hoe bescheiden ouweheer kon zijn. Dat zie je alleen bij de allergrootsten. Ouweheer bewees met zijn antwoord meteen dat hij dus veel meer was dan enkel een gedachte. Wat een schelm, maar ik had hem gelukkig door en overmoedig geworden besloot ik het spel mee te spelen. Ouweheer en ik waren ondertussen immers als twee handen op één buik, als twee geloven op één kussen.

“Maar ouweheer”, zei ik, “als u enkel een gedachte bent, dan ben ik dat ook. Maar omdat ik nu met u praat, en pas weer een volgende vraag kan stellen nadat u mij een antwoord heeft gegeven, bewijst dat we echt bestaan. Anders zou ik nu immers enkel in mezelf zitten te brabbelen”. 

Zo, nu had ik hem klem gezet met mijn intellectuele logica. Ouweheer zei niets. Zou ik hem misschien boos hebben gemaakt? Ik kreeg het plots heel benauwd. Dat gebeurt me nu altijd; ik ook altijd met mijn grote mond. En ouweheer moet je niet boos maken hoor. Water dat in bloed verandert, kikkers, luizen, steekvliegen, zweren, sprinkhanen,…. brrrr. Ouweheer is nog altijd een opvliegend baasje!

Na een poosje stil voor zich uit te hebben gestaard  leek het of ouweheer plots wakker schrok. “Mmmm”, zei ouweheer, “alleen in jezelf brabbelen……; dat kan natuurlijk niet. Dat zou zoiets zijn als schaken tegen jezelf. Dan kan je tegenstander nooit beter zijn dan jij zelf en kan je tegenstander geen zet verzinnen die je zelf ook niet had kunnen verzinnen. Dat lijkt me niet echt een spannende schaakwedstrijd”.

Aangemoedigd door zijn antwoord durfde ik nu mijn vooraf verzonnen vragen weg te leggen en me volledig te laten leiden door mijn intuïtie. “Ouweheer, wat is dan je lievelingsdroom en wat is je ergste nachtmerrie ?” Ouweheer hoefde nu helemaal niet na te denken en gaf meteen antwoord. “Mijn lievelingsdroom is dat ik net in San Francisco de Pulitzerprijs in ontvangst heb genomen voor het beste interview dat ooit is afgenomen en ik dan in mijn Aston Martin DB5 over de Pacific Coast highway scheur richting Los Angeles”. Dit was werkelijk ongelofelijk !!  Zonder het van elkaar te weten had ouweheer precies dezelfde lievelingsdroom als ik!

“En je nachtmerrie, ouweheer, wat is dan je ergste nachtmerrie?” schreeuwde ik ouweheer toe. Ik voelde dat het nu echt spannend werd en dat het alle kanten kon opvliegen.

Na enig nadenken zei ouweheer stil “ De kat. Met zekerheid de kat in de stalen kist”.

Een kat? Had ik het goed gehoord dat ouweheer nachtmerries had van een kat in een stalen kist ? “Ik dacht wel dat u meer een hondenliefhebber was”, zei ik “maar dat u zo bang bent voor katten dat u er nachtmerries van heeft, dat had ik niet gedacht”. “Nee, mijn zoon, deze kat heeft niets met katten te maken, of ja, toch wel weer een beetje. Ik zal het je proberen uit te leggen.” Nu ging ik er eens echt goed voor zitten. Ik voelde een enorme verwachting in me opwellen, net zoals ik vroeger had op de dag voor Sinterklaas of zoals Howard Carter gevoeld moet hebben net voordat hij de tombe van Toetanchamon opende.

Ouweheer schraapte plechtig zijn keel en begon: “we menen de werkelijkheid te kennen, maar in werkelijkheid is de werkelijkheid nog veel onwerkelijker dan we denken.  Zo is er geen determinisme, geen oorzaak en gevolg, er is enkel onbepaaldheid”. 

Ouweheer keek me aan en zag mijn glazige blik waarachter mijn teleurstelling schuil ging. Ouweheer deed een volgende poging en vervolgde: “Ook bij een gegeven begintoestand zijn er meerdere mogelijke toestanden waarin iets zich vanuit die toestand tegelijkertijd verder kan ontwikkelen en omdat ook tijd geen constante is kan alles op meerdere plaatsen tegelijkertijd zijn, kan alles zowel het een als het ander zijn en is een droom net zo reëel als de realiteit een droom”.

Het duizelde me en ik voelde me snel misselijk worden. Het werd me allemaal te veel en steeds sterker werd de gedachte dat ik, wat ouweheer me nu vertelde, helemaal niet wilde weten. Ik kreeg enorme hoofdpijn en wilde het liefst onder een deken wegkruipen. Maar ouweheer had geen enkele compassie met gewone stervelingen en vervolgde zijn relaas. Hij praatte nu steeds gejaagder en meer en meer vervormde zijn relaas tot een tirade.

“Stel dat je een kat opsluit in een stalen kist. In een buisje zit een minuscuul klein beetje van een radioactief element, zo weinig, dat gedurende een uur mogelijk een van de atomen vervalt, maar even waarschijnlijk ook niet. Vervalt een atoom, dan detecteert een geigerteller dat en laat via een relais een hamertje vallen, dat een flesje met blauwzuur dat in de stalen kist zit stuk slaat. Totdat de kist opengemaakt wordt, is het dus niet zeker wat er gebeurd is. Zolang de kist dicht is, kan de kat tegelijkertijd zowel in leven als dood zijn.  Logischerwijs is er voor de kat zelf geen enkele onzekerheid of hij nog leeft of dood is. De onzekerheid zit in de waarnemer. Maar omdat we per definitie allemaal waarnemers zijn is iedere stelling, ieder verhaal, iedere mening, alles wat we denken tegelijkertijd net zo juist als onjuist. En dat mijn zoon, dat is mijn grootste nachtmerrie.  Of ik besta, of enkel een reflectie ben van jouw gedachten, of we zijn of enkel dromen dat we zijn …….wie zal het zeggen…….?”

Toen viel er een oorverdovende stilte.  Misschien door mijn hoofdpijn kon ik steeds minder helder zien. Het was alsof er plots een enorme mist was opgetrokken. Ook ouweheer kon ik nog maar amper zien en even later was hij helemaal verdwenen. “Ouweheer, waar bent u, ik kan u niet meer zien of horen?” riep ik tegen de mist. Maar ik kreeg geen antwoord meer. Ik hoorde enkel nog mezelf. Dacht ik.

Een week later was ik de teleurstelling van de afloop van mijn interview nog steeds niet te boven. Ik moest van Maastricht naar Amsterdam, daar had ik een afspraak met de redacteur van de krant. Hij had me al laten weten dat hij mijn interview met Dhr. J. Zus zo niet kon publiceren en hij wilde nu eerst een gesprek.

s’Ochtends  nam ik in alle vroegte de trein in Maastricht. En alhoewel ik sinds het gesprek met Dhr. J. Zus weet dat tijd relatief is, ben ik liever te vroeg dan te laat.

Het begon rustig, maar het werd alsmaar drukker en voller in de ochtendtrein van Maastricht naar Amsterdam. Na Eindhoven kwam een jonge vrouw tegenover me zitten. Ze wekte de indruk het erg druk te hebben toen ze, haar telefoon controlerend, haar laptop op schoot nam. Ik dagdroomde tegenover een studente te zitten op weg naar de universiteit die nog snel haar huiswerk moest afmaken omdat ze er gisteravond voor had gekozen te blijven hangen in de kroeg. Ze had hem ook niet moeten meenemen. Het is altijd dezelfde ellende wanneer je ze ‘s ochtend wakker moet porren en snel de deur uit moet werken. Altijd dezelfde excuses, altijd dezelfde ongemeende oneliners.  Maar er was nu geen tijd meer voor spijt. Zo goed en zo kwaad als het kon probeerde ze nog snel de lesstof door te nemen voordat het college begon.

Mijn losbandige studente en ik reisden verder. Ik betrapte me erop dat ik haar langer zat aan te kijken dan wat is toegestaan wanneer iemand tegenover je zit in een halfvolle trein. Maar reizen in een trein heeft hiervoor een ideale oplossing, zeker als het donker is of nog schemert. Ramen veranderen dan in spiegels. Nog beter, ze veranderen in vervagende spiegels. Naar buiten kijkend keek ik zo naar haar. Vervagende treinramen zijn als droombeeldspiegels.

Ik keek naar buiten en in alle vage scherpte herkende ik haar nu meteen. Ik zat tegenover een blonde vrouw die een trenchcoat droeg. Weg was de studente. Ook mijn iPod herkende haar en speelde daarom meteen As Time Goes By.  Nu zat Ingrid Bergman tegenover me en waren we op weg naar Rick’s Café in Casablanca. Toen ging de iPhone van Ingrid over. Dat moest Humphrey  Bogart wel zijn. Ik kon de verleiding niet weerstaan, gaf toe aan mijn nieuwsgierigheid, en zette mijn iPod uit. Ik hoorde vlak voordat ze verdween Ingrid zeggen dat ze de afdeling voortdurend moest aansporen een tandje bij te zetten omdat ze anders de targets niet zouden halen.

Ingrid was weg, de jonge targetgerichte manager was gekomen. Studente, Ingrid Bergman, jonge manager. Ik zette teleurgesteld mijn iPod weer aan. Ondertussen was het buiten licht geworden en toen ik naar buiten keek, keek ik enkel nog naar buiten. Fantasie en nieuwsgierigheid zijn zowel elkaars bondgenoten als elkaars opponenten, net zoals geloof en wetenschap. 

De trein was bomvol toen ik niet in Casablanca maar in Amsterdam aankwam.

Op het station stond een kraampje waar ze couscous verkochten. De neonletters bovenop het kraampje galmden door de stationshal: “Couscous Casablanca”.

Nu begreep ik eindelijk wat ouweheer had bedoeld.

Dacht ik.

11+Bein

Add Comment

Required fields are marked *. Your email address will not be published.

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>